Loading...
Training2018-08-20T19:24:52+00:00

Veldwerk

TRAINING

Zweetwerk

TRAINING

KNJV

TRAINING

Veldwerk

TRAINING

Veldwerk, het ogenschijnlijk simpele spelletje met de wind. Veldwerk betreft werk van de hond vòòr het schot. Waar het zweetwerk en het apporteer werk altijd werk na het schot zijn, is veldwerk dus werk voor het schot. Veldwerk is het werk dat typisch bedoeld is voor staande honden en zoals de naam van onze hond het al zegt (Weimarse Staande Hond) is dit werk uitermate geschikt voor de weimaraner. Dus om de voorgaande zinnen samen te vatten kun je over veldwerk zeggen: voor het schot en ogenschijnlijk simpel. Gezien de ruimte hier te beperkt is om het veldwerk in zijn geheel te bespreken beperken we ons even tot de twee vet gedrukte punten.

De taak van de staande hond is het opsporen en aanwijzen van het in het veld aanwezige veerwild. Als de hond het veerwild gevonden heeft en het aanwijst blijft hij staan totdat de (voor)jager bij de hond is. Als de (voor)jager bij de hond is (en niet eerder) kan het wild uit het veld gestoten worden, het wild gaat op de wieken en kan geschoten worden. Hierna mag de hond het geschoten wild apporteren en laat dus nog een stukje werk na het schot zien.

Als u de voorgaande passage gelezen heeft kan de indruk ontstaan dat het veldwerk niet echt moeilijk kan zijn. Schijn bedriegt echter, er komt nogal wat bij kijken en er wordt heel wat van de hond en de (voor)jager gevergd. Hieronder worden een paar kwaliteiten beschreven die de hond moet bezitten om zijn werk in het veld goed te kunnen doen.

Een (staande) hond zal van nature altijd tegen de wind in willen zoeken. Dit doet de hond door te revieren of te flankeren. In feite loopt de hond een zig-zag patroon over het veld waarbij de hond in feite 90 graden op de wind werkt en het veld tegen de wind in aanpakt. De hond werkt tegen de wind in omdat de hond dan het beste kan ruiken wat er zich in het veld bevindt (verwaaiing). U kunt zich wellicht voorstellen dat de geuren van het wild makkelijk met de wind mee gaan en dat de hond als hij tegen de wind in werkt de meeste kans op een goede verwaaiing heeft. De hond dient dit ook nog eens te doen met een hoge kophouding.

Stel u zet de hond in in een bietenveld of een aardappelenveld. Als de kophouding nu laag is, m.a.w. de hond loopt met zijn neus op de grond, zal de kop van de hond zich onder de begroeiing buiten het bereik van de wind bevinden en kan hij  dientengevolge geen verwaaiing krijgen. Het enige dat de hond nu ruiken kan zijn sporen van de in het veld aanwezige fauna (voetverwaaiing).

De voorjager zal er voor moeten zorgen dat de kophouding zo hoog mogelijk zal zijn zodat geen stukje verwaaiing gemist wordt en het veerwild vastgezet kan worden. (Daarover straks meer) Een zeer lastige taak voor de voorjager.

Het voorstaan is de wijze waarop een staande hond het wild aan wijst. Meestal wordt gedacht aan de karakteristieke pose waarbij de hond helemaal verstrakt staat met een voorpoot omhoog. Ja, dat is voorstaan maar het is niet zo dat de voorpoot altijd omhoog moet. Wat er in feite gebeurt is als de hond verwaaiing krijgt hij midden in een stap verstrakt.

Bij een snelle hond zal het wild vaak verrast worden door de hond en zo plat mogelijk op de grond gaan liggen (drukken). Tijdens het voorstaan dient een hond een zodanige authoriteit uit te stralen dat het wild niet meer durft te bewegen en blijft zitten waar het zit. (men beweert wel eens dat de hond het wild dan hypnotiseert).

Een jonge en/of onervaren hond zal in het begin ook op loopsporen en op warme plekken (plek waar zojuist nog wild heeft gezeten) voorstaan. Het is echter gewenst dat de hond voorstaat op plekken waar 100% zeker veerwild zit. Hoewel het voorstaan an sich altijd in aanleg aanwezig zou moeten zijn (voorstaan is bijna of geheel niet aan te leren) zal de (voor)jager de hond duidelijk moeten maken dat het niet gewenst is dat de hond op bv. warme plekken voorstaat. Dit is te doen door de jonge hond heel veel onder het wild te brengen en hem prijzen tot hij er bij neer valt. Dit lijkt niet moeilijk maar ook dit is geen simpele taak voor de (voor)jager al was het om het feit dat er veelvuldig van veld naar veld gereden zal moeten worden en het feit dat er vaak vele kilometers gesleten worden om de hond te kunnen trainen.

Natuurlijk zal er enig appèl op de hond moeten staan, de hond mag niet achter haarwild aan, als de hond veerwild gevonden heeft en voorstaat zal hij moeten wachten op de (voor)jager eer de hond het wild uit mag stoten. Ook zal de hond op een fluitsignaal terug bij de (voor)jager moeten komen, hoe spannend het in het veld ook moge zijn, dit heeft met name te maken met een stukje veiligheid in het veld.

Als er teveel gehoorzaamheid van de hond geëist wordt zal dit kunnen resulteren in een hond die niet meer ruim zoeken wil. Te weinig gehoorzaamheid daarentegen zal  resulteren in het te vroeg uitstoten van het wild of het hetzen (najagen) van hazen. Hier zal door de voorjager een gulden middenweg in gevonden moeten worden. Wederom geen simpele taak voor de (voor)jager.

Bij het trainen van een hond in het veldwerk is het zeer waardevol zoniet noodzakelijk dat men iets weet over het veerwild waar men in feite op jaagt en zijn natuurlijke biotoop. Voorbeelden hiervan zijn: Hoe gedraagt een fazant zich in de bieten, waar kan ik de fazanten in het veld vinden en waarom. Verdiep u eens in hazen, het is namelijk erg handig als je bv. kunt beredeneren waar bijvoorbeeld een hazenleger zich zou kunnen bevinden. Welke problemen kan ik verwachten in de wintertarwe of in de groenbemesting.

Hoe gedraagt de flora en fauna zich ten opzichte van verschillende windrichtingen etc.etc. Hoewel dit vaak een zaak van ervaring is kan het helpen als men zich hier eens in verdiept. Praat eens met ervaren mensen, ga eens met een agrariër praten, deze mensen moeten leven van hun land en zijn wat dat betreft vaak een wandelende bron van informatie. Stel u eens op de hoogte van de lokale gebruiken, de DO’s and DON’Ts zo u wilt. U voorkomt hiermee iemand op de tenen te trappen en men is eerder geneigd u te helpen als u zich aan de lokaal geldende, vaak ongeschreven, gebruiken conformeert.

Zweetwerk

TRAINING

Om misverstanden te voorkomen en enig begrip van zweetwerk te krijgen dient u allereerst te weten dat “zweet” jagers jargon is voor bloed. De hond volgt met zijn neus een geurspoor van bloed, dit spoor zal uiteindelijk leiden tot reeds overleden of gewond grofwild. U kunt denken aan wild als reeën of zwijnen. Dit wild kan bij de jacht om welke reden dan ook, verkeerd zijn aangeschoten, het is echter ook mogelijk dat het wild in ons druk bezet landje slachtoffer van het langs razende verkeer is geworden. Het is de weidelijke plicht van elke jager om er voor te zorgen dat het gewonde wild gevonden wordt. Het getuigt niet van goed jagerschap en zeker niet van weidelijkheid als gewonde dieren in het veld achtergelaten worden. Bij de jacht op grofwild zal men dus moeten beschikken over een goede zweethond en ook onze weimarse staande hond is hier uitermate geschikt voor.

Laat u door het zweet niet afschrikken het is zeker niet zo dat het bos vol ligt met plassen zweet, het is waarschijnlijker dat u, Ger en Dyma spoor uitwerken
zeker in het begin, geen druppel zweet ziet. Bij het uitleggen van een oefenspoor worden er om de paar meter maar enkele druppels zweet neergelegd. Er wordt over het algemeen maar 250 ml zweet op een spoor van 500 meter gebruikt (maximaal). Afhankelijk van de moeilijkheids graad worden er sporen van diverse lengtes en diverse ouderdom gelopen. De lengte van het zweetspoor kan variëren van 500 meter tot wel enkele kilometers. Wat de ouderdom van de sporen betreft kunt u denken aan een range van tussen de enkele uren en 40 uur oud, alhoewel een 40 uurs spoor alleen weggelegd is voor de zeer ervaren zweethonden en voorjagers. Oudere sporen zijn een groot deel van de geur kwijt en bovendien is het waarschijnlijk dat er in de tussenliggende tijd veel wild overheen gelopen is hetgeen resulteert in een hoop verleiding voor de hond.

U vangt een uit te werken spoor altijd aan bij een zogenaamde “aanschot plaats”. Dit is de plek waar het wild aangeschoten is en waar het spoor dus begint. De aanschotplaats vertelt u veel over de plaats op het lichaam waar het dier geraakt is en over de richting waarin het dier gevlucht is. U kunt hier bijvoorbeeld wat maaginhoud, longzweet of botsplinters aantreffen. Ook hier hoeft u niet te schrikken er liggen geen kilo’s weefsel, flintertjes is een betere voorstelling van zaken. Vanaf de aanschotplaats dient u de hond aan het werk te zetten waarna u samen het gewond geraakte (grof) wild opspoort.

Dyma en Ger bij gevonden “bok” vel Tijdens het uitwerken van het zweetspoor wordt de hond voorgejaagd aan een zweetlijn. Een zweetlijn bestaat uit een zeer brede halsband met wartel en een soepele leren lijn van ongeveer 10 meter lengte. De riem dient van leer te zijn, leer blijft namelijk nooit hangen in bijvoorbeeld bramen of andere aanwezige vegetatie. De halsband is globaal 3x zo breed als een normale halsband. De band is zo breed om de luchtwegen te ontzien, het spreekt vanzelf dat de hond de luchtwegen optimaal moet kunnen gebruiken om zo goed mogelijk gebruik te kunnen maken van zijn natuurlijk vermogen om te ruiken. De wartel aan de halsband hoort 360 graden te kunnen draaien, dit om ervoor te zorgen dat de lijn niet “kinkt” en gaat hinderen. Mocht u het Zweetwerk willen gaan proberen is het verstandig om eerst een goede lijn te lenen, een goede lijn kan nogal prijzig zijn. (rond de 100 € voor een kwaliteitslijn)

KNJV jachttraining

TRAINING

Goed opgeleide jachthonden zijn onmisbaar voor de jacht. De Koninklijke Nederlandse Jagers Vereniging (KNJV) organiseert daarom op diverse plaatsen in het land trainingen. In deze cursus “zelfopleiding jachthonden” leert men de hond het apporteren. De trainingen beginnen in het voorjaar (rond april) en in het najaar (rond augustus) organiseert de KNJV jachthondenproeven. Dat is heel erg leuk en spannend! Door heel het land worden KNJV proeven gehouden, en je mag overal inschrijven, alleen is het altijd heel erg druk en de KNJV leden hebben voorrang; je moet er snel bij zijn. Tegenwoordig gebeurt het inschrijven alleen nog maar digitaal via de site van de orweja.

De training bestaat uit verschillende delen. De gehoorzaamheids proeven: zoals volgen, komen op bevel en blijven op de aangewezen plaats. Dat is altijd makkelijk als je hond dat goed beheerst. Verder is er het apporteer gedeelte, de hond moet bijvoorbeeld een dode eend in het bos zoeken en naar de baas brengen, of hij zwemt over een sloot en zoekt daar een dode eend om te apporteren. En ook het korte apport waar de hond op relatief korte afstand een konijn moet apporteren. Ook het voor veel honden lastige markeerapport maakt deel uit van de proeven.

Hier moet de hond rustig wachten terwijl er op +/- 30 meter een eend word opgegooid met een schot hij mag pas gaan apporteren als de baas een commando geeft en moet in een rechte lijn naar het apport lopen ( dus precies onthouden waar het is gevallen het wild meteen oppakken en in een rechte lijn terug. Dan zijn er voor het hoogst te behalen diploma nog de sleep; de hond zoekt een eend die eerst een meter of vijfhonderd door het land gesleept is, en natuurlijk de dirigeerproef. Het kunnen sturen van je hond door middel van hand en fluit signalen en dat op honderden meters afstand.

Nog leuker zijn de MAP’s; meervoudige apporteer proeven. Gediplomeerde jachthonden (met minimaal 2 KNJV-B diploma’s waarvan een met minstens 68 punten) mogen daaraan meedoen. Deze proeven zijn veel praktijk gerichter, en voor de honden nog uitdagender. Op deze wedstrijden wordt de jachtpraktijk nagebootst. Het wedstrijd seizoen wordt afgesloten met de NIMROD in november. Hiervoor worden de beste honden van elk ras uitgenodigd en een hond mag ook maar 1 keer in zijn leven meedoen aan deze prestigieuze wedstrijd.

Maar je begint het beste met je pup zodra hij bij je in huis is met puppyjacht-training daarna stroom je met je jonge hondje in een C groep, waar ze eerst nog beter moeten leren luisteren en goed leren apporteren, want vergis je niet, zelfs een labrador moet LEREN apporteren. Eerst met een speeltje, dan met een dummy en nog weer later met koud wild. Pas als ze dat kunnen en ze een B diploma hebben weten te behalen, pas dan zou ik adviseren een hond mee te nemen op de jacht. In dat eerste jaar leert de hond dat hij alles wat hij bij de baas brengt vast moet houden tot de baas:”los” zegt. Hier zit meer oefening bij dan dat je zou denken.

Het volgende jaar bevorder je naar een B groep als alles goed gaat, waar je hond moeilijkere opdrachten krijgt, en beter leert te volgen en te blijven als dat moet. Na een jaartje of drie á vier ben je toe aan het heuse hogeschoolwerk binnen het KNJV gebeuren, de A groep. De hond leert voorruit te gaan; zo’n 100 tot 500 meter, om dan op een trilfluit en handgebaar te gaan zitten. Je leert hem in een haak naar rechts of naar links te gaan, heel moeilijk, zeker omdat we te maken hebben met staande honden. Ook wordt er een sleep spoor getrokken met een eend, en dat kan ook honderden meters ver zijn. Gaandeweg leert men! De honden vinden dat zoeken super spannend, en het vinden van de dummy of het wild is een beloning op zich voor ze. Na een cursus avond zijn ze zowel lichamelijk als geestelijk volkomen afgepeigerd! Wij Kunnen deze tak van hondensport voor een weimaraner van harte aanbevelen.

Een algemene regel in de training is: HOUD HET SIMPEL. Hoe kleiner en hoe eenvoudiger de stappen in de opbouw, hoe sneller uw hond zal leren en hoe groter het genot voor u. Iedere vaardigheid die uw hond ontwikkelt is immers een beloning voor u.